Afscheid

Het pistool ligt geladen voor me. Als ik mijn sigaret op heb, ruim ik de boel nog even op. Daarna is het klaar.
Het doet pijn, zoveel pijn dat ik het niet meer aankan.

In mijn dromen zie ik hem voor me, zoals ik hem destijds door mijn vizier zag. De omtrekken van zijn jonge, slanke lichaam werden duidelijk uitgelicht door de felle schijnwerpers. Hij haalde de overkant niet.
Hij trok meteen mijn aandacht met zijn wanhopige poging om in het meedogenloze licht de overkant te halen. Ik vermoed dat hij erop gerekend had dat ik hem zou sparen bij zijn vlucht. Maar ik herkende hem niet. Twee seconden keken zijn donkere ogen me door het vizier recht aan, er was geen enkele vonk van herkenning bij mij. Twee seconden daarna had ik de trekker overgehaald en was hij dood.

Ik hoorde pas een aantal uren later dat het mijn zoon was, die ik bij zijn vlucht naar het westen had neergeschoten. Dat was toen een aantal agenten van de Stasi ons huis binnenvielen en alles overhoop haalden.
Nee, ik zeg het niet correct. Toen de agenten ons huis ondersteboven keerden, hoorde ik dat mijn zoon die nacht was doodgeschoten bij de muur. Pas later drong het tot me door dat ik degene was, die de trekker had overgehaald. Het moment waarop dat tot me doordrong, was ook het moment dat het einde voor Gerdi ineens dichtbij was.

Ook al voor die bewuste dag probeerde Gerdi zoveel mogelijk afstand te creëren tussen mijn werk en ons leven samen. Zij heeft nooit gesnapt dat ik jonge mensen kon neerschieten, enkel en alleen omdat ze naar een ander deel van de stad probeerden te vluchten. Als ik thuiskwam van de muur ontweek ze me zoveel mogelijk. Pas als ik mijn werk van me had afgeschud, wilde zij mijn liefhebbende echtgenote zijn.

Vanaf die ene dag, is het me niet meer gelukt om het van me af te schudden. Vanaf die dag hangt de lucht van kruit om me heen. Het doet er niet toe hoe lang het geleden is en hoe vaak ik me inmiddels gewassen heb. Ik ruik het.
Ze heeft niet eens samen met mij afscheid van hem willen nemen. Elk in ons eentje hebben we ons er zo goed en zo kwaad als ging doorheen geslagen. De woorden die we daarna nog tegen elkaar spraken, waren zeldzaam. Het verbaasde me niet, toen ze een week na de begrafenis wegging en niet meer terugkwam. Ze wilde niet meer met mij leven, maar ook niet zonder mij. Haar begrafenis was twee weken na die van onze zoon.
Ook haar radeloze, ontzielde gezicht zie ik in mijn dromen.

Het is nu meer dan veertig jaar geleden. Je zou verwachten dat het slijt.
Elke dag, die na die ene dag is gekomen, heb ik me afgevraagd of ik het anders had gedaan, als ik hem had herkend. Ik weet het antwoord nog steeds niet.
Ik wil het ook niet meer weten.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.